Heupdysplasie (HD)

Heupdysplasie is een afwijking aan de heupgewrichten, waarbij de ontwikkeling van de heupen bij de jonge, opgroeiende hond niet normaal verloopt en de gewrichten meer of minder ernstig misvormd kunnen worden.

Heupdysplasie, beter bekend onder de afkorting HD, is een erfelijk bepaalde afwijking, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor uitwendige factoren, zoals beweging, groeisnelheid, lichaamsgewicht, spierontwikkeling en voeding. Sterk afhankelijk van de mate waarin heupdysplasie voorkomt, is de mate waarin de uitwendige factoren van invloed zijn op de ontwikkeling van het heupgewricht. Een hond die geen erfelijke aanleg heeft voor heupdysplasie kan dit ook niet ontwikkelen. De erfelijke aanleg voor deze afwijking moet dus altijd aanwezig zijn wil heupdysplasie zich manifesteren onder invloed van uitwendige factoren. Als we de uitwendige factoren bezien, verbaast het niet dat heupdysplasie meer voorkomt bij de grote en middelgrote rassen.

Bij een normaal heupgewricht hebben we te maken met een gladde, bolronde kop van het dijbeen en een voldoende diepe kom van het bekken. Beide beenderen worden op de plaats gehouden door het gewrichtkapsel en de omringende spieren. Normaliter is er een goede aansluiting tussen kop en kom en dit betekend dat er een zodanige ruimte aanwezig is dat een normale beweging mogelijk is. De afwijkingen die voor kunnen komen zijn: de aansluiting van kom en kop kan onvoldoende zijn of de kop kan zelfs helemaal buiten de kom liggen; de kop kan vlak worden; de kom kan ondiep worden; of er ontstaan botwoekeringen rond de kop en kom door abnormale slijtage van het gewricht.

Deze misvormingen kunnen natuurlijk in verschillende mate voorkomen. Daarbij is er geen relatie tussen de ernst van de misvorming en de ernst van de klachten die de hond vertoont. Bij elke hond manifesteren de klachten zich anders. De meest voorkomende klachten zijn: moeilijk opstaan; soms met pijn; een stijve achterhand; huppelen met de achterpoten alsof deze de voorpoten niet kunnen bijhouden; slecht uithoudingsvermogen; snel gaan liggen; doorzakken van de achterhand; staan en lopen met gebogen rug en afhangende lendenpartij; of kreupelheid in een of beide achterpoten. Bij het hebben van een of meer van deze klachten kan echter niet zonder meer de diagnose heupdysplasie worden gesteld. Hiervoor is altijd een röntgenfoto nodig. Overigens komt het veelvuldig voor dat een hond geen normaal heupgewricht heeft en toch geen klachten vertoond. Een behandeling voor heupdysplasieklachten is gericht op het gunstig beïnvloeden van de uitwendige factoren, zoals zorgen dat de hond op het juiste gewicht is en een regelmatige en goede lichaamsbeweging krijgt. Daarnaast bestaat de mogelijkheid de hond pijnstillers toe te dienen en/of te opereren, waarbij in het meest ernstige geval het heupgewricht vervangen wordt door een kunstheup.

Heupdysplasie wordt ingedeeld in verschillende klassen:

NL codering:
HD A (HD-)
HD B (HD Tc)
HD C (HD ±)
HD D (HD +)
HD E (HD ++)
Duitse codering:
A-normal
A- fast normal
noch zugelassen
Mittlere HD
Schwere HD
Omschrijving:
De hond is vrij van HD
Er is sprake van een overgangsvorm
Licht positief
De hond is positief
HD in optima forma, geen heupgewricht

Heupdysplasie
A HD - : Normale heupgewrichten
B HD Tc : iets meer speling in de gewrichten
C HD ± : kom of kop zijn wat afgevlakt
D HD + : veel speling en afgevlakte kom en kop
E HD ++ : bijna geen gewricht meer

Deze beoordelingsuitslagen wordt door de SV (Duitse rasvereniging) gebruikt om de ZW (zuchtwert) voor HD uit te rekenen.

De mate waarin heupdysplasie voorkomt bij een hond wordt mede bepaald door de mate van heupdysplasie van voorgaande generaties. Als de twee ouderdieren heupdysplasie hebben ontwikkeld, is er een grote kans aanwezig dat de pups ook heupdysplasie ontwikkelen. De kans dat heupdysplasie ontstaat of een minder ernstige vorm van heupdysplasie zich ontwikkeld is geringer naarmate de heupen van de ouderdieren beter zijn. Toch komt het voor dat een pup uit het nest van twee ouderdieren die beide vrij zijn van heupdysplasie, toch deze afwijking ontwikkeld. Meestal komt heupdysplasie dan voor bij een of beide ouders of voorouders van de ouderdieren. Maar zoals gezegd, des te beter de heupen van de ouders, des te groter is de kans dat de pups geen heupdysplasie of heupdysplasie in minder ernstige vorm ontwikkelen. Op deze methodiek is ook de algehele bestrijding van heupdysplasie in het fokbeleid gericht.

Heupdysplasie was een van de eerste bekende erfelijk bepaalde ziekten. De afwijking werd reeds in 1935 ontdekt door een Amerikaanse dierenarts Schnelle. Hierdoor wordt al vele tientallen jaren actief beleid gevoerd op dit onderdeel. Dat dit beleid nog steeds niet heeft geleid tot het uitbannen van deze afwijking geeft aan, hoe ingewikkeld de bestrijding hiervan is.

Terug naar puppy pagina.